De geschiedenis van het blokfluitkwartet

In het internationale concertleven zijn er op dit moment meer blokfluitkwartetten dan ooit tevoren. Deze bezetting geldt dan ook, binnen de kamermuziek met blokfluit, als een van de meest geliefde ensemblevormen. Wie echter denkt dat deze ensemblesamenstelling een typisch verschijnsel van onze tijd is, die vergist zich, want haar wortelen rijken tot diep in de tijd van de Renaissance.

Al in de oudste ons overleverde bronnen over de blokfluit – Sebastian Virdung’s “Musica getutscht” (1511) en Martin Agricola’s “Musica instrumentalis deudsch” (1532) – worden de in die tijd gebruikelijke blokfluiten als kwartet gepresenteerd: “gmeinlich fier floten in eynen futeral”. Beide bronnen spreken hierbij over drie maten van blokfluiten: een discantus, een tenor en een bassus. De grondtonen van deze instrumenten zijn gelijk aan die van de destijds zo belangrijke drie hexachorden: g durum, c naturale en f molle. In hun afbeeldingen verdubbelen ze echter de tenor waardoor een kwartet ontstaat en in hun beschrijvingen leren ze ons dat er ook kwartetten samengesteld kunnen worden door verdubbeling van de discant of van de bassus. Ook de virtuoze speler Silvestro Ganassi die ons met zijn “Opera intitulata Fontegara” (1535) de eerste blokfluitschool geboden heeft, beschrijft deze ensembleopbouw. Het zijn belangrijke aanwijzingen voor de grote betekenis die de kwartetbezetting ook toen al voor de blokfluit gehad moet hebben.

De dagelijkse muziekpraktijk in de 16de eeuw zag er in vele opzichten natuurlijk wel wat anders uit. In de kerk was het instrumentale spel nog altijd zeer sterk gekoppeld aan de vocale muziek. Zo werd een zangstem vaak gedubbeld met een instrument. Dit kon zelfs leiden tot de extreme situatie waarin een vokaal koor tegelijkertijd geheel door een instrumentaal ensemble werd meegespeeld. Aan het hof en op straat speelde de puur instrumentale muziek een duidelijk belangrijkere rol. Maar hier werd hoofdzakelijk in gemengde ensembles muziek gemaakt. Toch was het spelen in een éénkleurig bezet ensemble vooral binnen de kamermuziek heel geliefd en is het goed denkbaar dat de vroege instrumentale muziekvormen als ricercar en fantasie ook regelmatig door een kwartet van blokfluiten ten gehore werd gebracht.

Hoe moeten we ons zo’n blokfluitkwartet uit de Renaissance voorstellen? Zeker niet als een ensemble waarvan de spelers zich uitsluitend hebben toegelegd op de blokfluit. Veeleer waren de meeste van deze musici te beschrijven als “all round” blazers, die naast de blokfluit ook trompet, trombone, zink of schalmei speelden. Als groepjes van meestal vier en later in de Renaissance vijf musici waren zij in dienst van de stad, de kerk of een hof.

Een bekend voorbeeld van zo’n Renaissance musicus is de in 1560/61 in Venetië geboren Giovanni Bassano. Hij werd in zijn tijd niet alleen erkend als uitmuntend bespeler van blaasinstrumenten, maar deed ook van zich spreken door zijn composities en virtuose versieringen van bekende motetten, madrigalen en chansons. Op de nog zeer jeugdige leeftijd van 15 jaar werd hij lid van de ‘piffari del doge’, een elitair blazersensemble in dienst van de doge van Venetië. De vroege benoeming in een dergelijk ambt laat wel zien hoe kunstig Bassano zijn blaasinstrumenten beheerst moet hebben. En zou het zeker denkbaar zijn, dat Bassano na zijn benoeming als zangleraar aan de San Marco in 1583, de daar werkzame gebroeders Dalla Casa ontmoet heeft? De begenadigde cornettospeler Girolamo dalla Casa was toen al sinds 1568 als ‘maestro de concerti’ aan de San Marco verbonden en vormde samen met zijn eveneens als excellente musici bekend staande broers Giovanni en Nicolò de vaste kern van de kerkelijke blazersgroep. De gemeenschappelijke interesse van Bassano en Girolamo dalla Casa in de hoge school van de versieringskunst zou aanleiding geweest kunnen zijn voor beide spelers om elkaar op te zoeken om ervaringen uit te wisselen. Net zo waarschijnlijk is het, dat de spelers zich daarbij niet slechts verbaal, maar ook instrumentaal onderhouden hebben. En wie zou er dan nog aan twijfelen dat de vier heren daarbij niet af en toe ook hun blokfluiten eens uit de koffer haalden. De gedachte dat het zich bij deze vier fantastische spelers om het eerste professionele blokfluitkwartet gehandeld heeft, is in ieder geval zeer verleidelijk.

Ook in de tijd na Bassano was Venetië een van de belangrijkste centra voor de ontwikkeling van nieuwe muzikale stromingen. Vooral de componist Claudio Monteverdi zette de lijn voort van Adrian Willaert en Giovanni Gabrieli, waardoor er een steeds sterkere scheiding tussen vokale en instrumentale muziek ontstond. In hun begeleidende rol dienden de instrumenten niet langer meer als stemverdubbeling, maar kregen zelfstandige stemmen toebedeeld. Daarnaast kwamen er ook korte puur instrumentale sinfonias en intradas waarmee een zangwerk ingeleid, onderbroken of afgesloten kon worden. Van daaruit was het nog maar een kleine stap naar de ontwikkeling van de grotere instrumentale vormen als de canzone en de latere sonate en symfonie. Gabrieli’s “Canzoni per sonar” (1615) of ook Frescobaldi’s “Canzoni a una, due, tre, e quattro voci” (1628) waren uitermate geschikt voor blaasinstrumenten en werden indertijd zeker net zo vaak door een kwartet van blokfluiten gespeeld als nu.

Met de komst van de sonate en de canzone zijn in noord Italië ook tevens de eerste voorbeelden van instrumentale solomuziek met ‘basso continuo’ gegeven. Deze vorm van kamermuziek krijgt vanaf 1600 een steeds belangrijkere rol, totdat hierdoor in de Hoog Barok het contrapuntische en op één kleur gebaseerde ensemble bijna geheel verdrongen is. Wat er dus precies gespeeld is op de beroemde consorts van Bressan in Engeland en Kynsecker in Duitsland blijft nog nader onderzoek waard.

Feit is echter dat de blokfluit, met name de f”alt, als soloinstrument zeer geliefd blijft in heel Europa en op tal van manieren wordt ingezet als ensemble- of orkestkleur. Composities in deze stijl waarin een heel blokfluitkwartet wordt voorgeschreven, zoals het “Concerto di Flauti” van Alessandro Marcello, zijn grote uitzonderingen geworden. De vele Barokwerken die door de blokfluitkwartetten van nu worden uitgevoerd zijn dan ook bijna uitsluitend arrangementen.

Na de herontdekking van de blokfluit in het begin van de twintiger jaren van de twintigste eeuw kwam het snel tot een nieuwe bloei van het blokfluitkwartet. Carl Dolmetsch, de beroemde oervader van de blokfluit, bouwde reeds in 1926 een kwartet in c”-f’-c’-f. In Duitsland construeerde de blokfluitpionier Peter Harlan een kwartet in de traditioneel gezien afwijkende stemming a’-e’-a-d. Het zou echter nog een halve eeuw duren voordat het blokfluitkwartet zich zou ontwikkelen van een leuke bezetting voor speelgroepen en huismuziek tot een professionele concertformatie.

Een duidelijke stap in deze richting werd gezet door het in 1972 opgerichte Wiener Blockflötenensemble. Dit was weliswaar een groep van zes spelers, maar aangezien zij muziek speelden van trio tot sextet, viel ook het kwartetspel binnen hun concertpraktijk. Het eerste echte blokfluitkwartet dat professioneel concerteerde werd niet in Europa, maar in Japan geformeerd. Het Tokyo Recorder Quartet, dat tot op heden bestaat, werd in 1974 opgericht. Naast hun aandacht voor het historische repertoire uiot de Renaissance en de Barok richtten zij zich op de uitvoering van eigentijdse werken. In opdracht van dit kwartet ontstonden moderne klassiekers als “Lamentation” en “Idyll” van Hirose en “Construction” van Keiko Okasaka. De eigenlijke doorbraak voor deze ensemblevorm werd echter gerealiseerd door het in 1978 opgerichte Amsterdam Loeki Stardust Quartet. Dit Nederlandse ensemble veroverde binnen enkele jaren de concertpodia over de gehele wereld en wekte een internationaal bewustzijn voor het blokfluitkwartet als serieus te nemen ensembleformatie. Sindsdien zijn enkele andere blokfluitkwartetten in de voetsporen van het Amsterdam Loeki Stardust Quartet getreden. Zo bijvoorbeeld in de tachtiger jaren het Nederlandse Brisk Recorder Quartet, het Belgische Flanders Recorder Quartet en het Spaanse Frullato dat zich specialiseerde in de uitvoering van Spaanse nieuwe muziek. In de negentiger jaren o.a. drie geheel uit vrouwen bestaande kwartetten: het Nederlandse Malle Symen, het Deense Sirena en het blokfluitkwartet Flautando Köln in Duitsland.

Blijft slechts te hopen, dat er ook in dit nieuwe millennium enkele jonge kwartetten zullen zijn die het professionele voorbeeld van deze ensembles zullen volgen en met hun eigen speelideeën het traditionele blokfluitkwartet kunnen gebruiken als uitdrukkingsmiddel in een telkens weer nieuwe stijl.

Daniel Koschitzki, augustus 2003

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn
Comments are closed.